De melancholie en tranen in het Engeland van de 16e en 17e eeuw

maandag 23 Maart

De Werkgroep Muziek van het koninklijk Zeeuws genootschap der wetenschappen had voor het Incantoconcert op 20 maart 2026 het Castello Consort uitgenodigd. Een goede keuze. Wel had ik, juist vanwege de goede akoestiek van de Zeeuwse Concertzaal Middelburg, liever in de zaal gezeten dan op het overvolle podium.

De muziek uit de 16e en 17e eeuw van de Engelse componisten bezit intimiteit en heeft een grote emotionele impact. Uiterst geschikt om gespeeld te worden door een Consort, een ensemble van instrumenten van dezelfde familie zoals de gambafamilie, aangevuld met Basso Continuo instrumenten en blazers. De musici van Castello Consort zijn: Joshua Cheatham, Nicolas Milne, Lies Wyers, Anne-Linde Visser (gambafamilie), Benoît vanden Bemden (violone/basgamba), Irene Roldán (virginaal), Christoph Sommer (luit), Charlotte Schneider (renaissancefluit), Lambert Colson (zink/cornetto) en Matthijs van der Moolen (trombone).

De musici luisteren heel goed naar elkaar, delen eenzelfde muzikale passie en zorgen ervoor dat de instrumenten regelmatig gestemd worden.

Het publiek kreeg een goed beeld van de muziek uit die periode. Niet altijd vrolijke muziek maar wel dansant en vol melancholie. De titel van de bundel Lachrimae, or Seaven Teares van John Dowland geeft al meteen aan dat er veel en vaak getreurd werd in de renaissance. Niet verwonderlijk omdat de mensen toen niet zo oud werden. De Lachrimae’s (treurzangen)  Pavanes en Allemande’s (dansante werken met een traag tempo) gaven het klagen en het verdriet goed weer. Dat er ook vrolijke momenten waren, kwam uit in de Gaillards met een meer levendig ritme en een vrolijker karakter.

Het programma met werken van Dowland, Holborne, Purcell, Phillips en Gibbons was afwisselend, temeer omdat de schijnwerper afwisselend op de verschillende instrumenten werd geplaatst. Zo konden het virginaal en de luit ook demonstreren dat ze naast begeleidings- ook geweldig klonken als solo-instrument.

Het eerste deel werd besloten met Semper Dowland, semper dolens (Altijd Dowland, altijd treurend). Het werk bewees dat Dowland vooral bekend werd om zijn melancholische muziek en droevige levenshouding.

Het is een Pavane die door de luit werd gebracht en daarna herhaald samen met de gamba’s. Intreurig en vol melancholie, maar in de tijd van Dowland werd melancholie gezien als een nobele emotie.

In het deel na de pauze werd de afwisseling van de snaarinstrumenten en de blazers erg goed gedemonstreerd. Heel apart klonken de Ayre I en VIII van John Adson waarin alle klankkleuren te horen waren (eerst van de drie blazers met virginaal en luit en daarna de gamba’s met de violone).

Het lied (Air) werd in Frankrijk en Engeland vaak door een Consort gespeeld. De instrumentale versie werd bovendien vaak gebracht met virtuoze variaties. Het Castello Consort had als laatste programmaonderdeel gekozen voor een selectie van bekende melodieën en folksongs, zoals het overbekende Greensleeves. Geniaal zoals het geïnterpreteerd werd door fluit en luit en daarna met variaties door virginaal en de andere instrumenten. Juist de speciale effecten, kleuren en verschillen kwamen hier duidelijk en fijn over. Heerlijke muziek en ook vrolijker van karakter. Hierbij zou klein slagwerk zoals de handtrom niet misstaan hebben. Het zou het ritme wellicht nog extra hebben onderstreept.

Deze recensie is geschreven door Jeanette Vergouwen-de Caluwe


Terug naar overzicht

nieuwsbrief - Aanmelden

Wilt u ook onze nieuwsbrief ontvangen? Meld u dan nu aan!